ZORG VAN HET CONSULTATIEBUREAU VOOR KINDEREN IN HET AZC

In gesprek met Suzanna Plaice (jeugdverpleegkunde)
In gesprek met Suzanna Plaice (jeugdverpleegkunde)en Monique Niesten (jeugdarts)

Sinds enkele jaren worden in de Maastrichtse wijk Limmel zo’n 600 asielzoekers opgevangen in de voormalige gevangenis Overmaze. Onder hen zijn ook gezinnen met jonge kinderen. Het consultatiebureau Nazareth van GGD Zuid Limburg zet zich al enige tijd in voor deze kwetsbare doelgroep. Dit blijkt vooralsnog veel pionieren! Lees hier het soms aangrijpende maar ook inspirerende verhaal van Assistente Chantal Yagiz, Jeugdverpleegkundige Suzanna Plaice en Jeugdarts Monique Niesten.

Even wennen…

“Wanneer gezinnen met jonge kinderen in het AZC geplaatst worden, moeten we ze volgens de landelijke richtlijnen binnen zes weken zien. Wij doen dit bij voorkeur sneller; binnen één of twee weken, maar merken helaas dat de gezinnen dan niet altijd komen opdagen”, aldus Suzanna. Ze legt uit: “er komt ook heel veel op deze mensen af, als ze in het AZC terecht komen. Er gebeurt natuurlijk veel in zo’n groot AZC, waar verschillende culturen samenkomen. Daarnaast gaat er vanalles van start in die eerste weken; VluchtelingenWerk en het COA komen in beeld en de juridische procedures rondom het verkrijgen van een status gaan van start. Ouders moeten vaak ook even wennen aan de manier waarop de dingen in Nederland geregeld zijn. Wanneer je een uitnodiging krijgt voor een afspraak, betekent dat niet ‘op die dag ben je welkom’, maar ‘op die tijd word je verwacht’. Dat gaat nogal eens mis!”, lacht Suzanna.

Opvoeden vs. pamperen

“Ouders krijgen een eenvoudig geschreven brief waarin ze worden uitgenodigd voor het eerste intakegesprek, dat plaats vindt in het AZC. Wanneer ouders de taal niet beheersen, kunnen ze met deze brief naar een loket in het AZC om ‘m te laten vertalen. Maar of ze dat doen, is hun eigen verantwoordelijkheid”, aldus Suzanna. Jeugdarts Monique vult aan: “We merken dat dit ook de cultuur is die in het AZC heerst; niet ‘pamperen’ maar ze van begin af aan ‘opvoeden’ om zelf hun zaakjes te regelen. Dit past natuurlijk bij de politieke visie om het proces van inburgering zoveel mogelijk te versnellen. Maar je kunt je afvragen of het niet zinvoller is om mensen die zo’n trauma hebben meegemaakt in eerste instantie toch wat meer bij de hand te nemen. Moet je ze dat niet gunnen, als ze er niet in slagen om de stappen die nodig zijn zelf te zetten?”, vraagt Monique zich af. Suzanna vult aan: “wanneer het gezin niet op de intake verschijnt, omdat ze de brief mogelijk niet begrepen hebben, ga ik meestal zelf naar hun kamer toe om het nog eens uit te leggen.”

Open om te luisteren

“In het intakegesprek nemen we uitgebreid de tijd. Sommige ouders spreken Engels, voor anderen maken we gebruik van de tolkentelefoon. In dit gesprek leg ik uit wat het consultatiebureau doet en vertel ik dat alle kinderen in Nederland daar recht op hebben en hun kinderen dus ook. Als ouders ervoor open staan om hun persoonlijke verhaal te delen, staan wij ervoor open om te luisteren. We merken dat de meeste ouders het echt waarderen dat er een partij is die zich om hun kind(eren) bekommert. We vragen ook naar het welzijn van hen als ouders. Ook deze individuele aandacht wordt gewaardeerd. Een week later worden ze dan op de locatie van het consultatiebureau gezien door de jeugdarts”.

Ziektegericht vs. gezondheidsgericht

“We merken dat veel ouders dan – ondanks de uitleg in het eerste gesprek – wel verbaasd zijn over de vele vragen die dan worden gesteld. We kijken verder dan alleen de groei en ontwikkeling. We nemen alle leefomstandigheden mee, omdat wij in Nederland geloven dat dit ook van invloed is op de (gezonde) ontwikkeling van kinderen. In die zin zijn wij meer ‘gezondheidsgericht’, terwijl men in de landen waar deze mensen vandaan komen meer ‘ziektegericht’ is. Daar is geen voorliggende voorziening en gaat men rechtstreeks naar de specialist op het moment dat men ziek is”, legt Monique uit. Suzanna vult aan: “Het contact met de arts en verpleegkundige verloopt hier meer gelijkwaardig. We gaan in gesprek, luisteren, zijn laagdrempelig. Dat zijn veel asielzoekers en ouders niet gewend”.

Over verschillen en overeenkomsten

“We merken dat de psychische problematiek die bij veel van deze ouders speelt, een belangrijk aandachtspunt is bij deze doelgroep. De oorlog, het vluchten, het moeten missen van familie en vrienden, de vele verhuizingen en de onzekerheid hebben natuurlijk een grote impact. Met name bij de groep die lang moet wachten of voor wie de perspectieven in Nederland minder gunstig zijn, zien we dat de psychische gesteldheid van ouders sterk van invloed is op de kinderen. Wanneer ouders dreigen er niet in te slagen hun kinderen een betere toekomst te bieden, weegt dit heel zwaar. Dit zie je bijvoorbeeld terug in het ontbreken van een dagstructuur, het feit dat ze niet meer met hun kind(eren) spelen of in de algehele sensitiviteit richting het kind. Ik vind dat toch wel zorgelijk; als je er onvoldoende in slaagt deze generatie ouders te helpen, verlies je ook een generatie kinderen, omdat zij gebukt gaan onder last van ouders”, aldus Monique.

Wat ik heel mooi vind om te zien, is dat de liefde van ouders voor hun kind echt een universeel iets is. Veel van deze ouders zijn gevlucht omdat ze hun kinderen een betere toekomst gunnen. Alle ouders willen hun kinderen perspectief bieden. Vaak zijn het ook de kinderen die ouders op de been houden. We horen dit ook wel eens letterlijk terug…”

De invloed van de omstandigheden

“Door de omstandigheden in het AZC zie je dat sommige kinderen op bepaalde ontwikkelingsdomeinen achterlopen. Bijvoorbeeld op het gebied van zindelijkheid. In het AZC maken gezinnen gebruik van een gezamenlijk toilet aan het einde van de gang. Dit kan natuurlijk van invloed zijn op de zindelijkheidstraining. Verder zien we bij deze kinderen meer slaapproblematiek. Dit kan ermee samenhangen dat er in het AZC geen aparte slaapkamers voor de kinderen zijn. Er zijn zelfs gezinnen die een kamer delen met onbekende mensen. Dan kan het huilen van de kinderen een issue zijn. Wat je dan wel eens ziet, is dat ouders overmatig gaan voeden om het kind stil te houden. Je hebt ook ouders die vanuit een bepaald schuldgevoel hun kinderen gaan verwennen.”

Pionieren

“De kinderen in het AZC kunnen vooralsnog geen gebruik maken van een peuterspeelzaal. Er is wel een crèche, maar daar zijn geen professionele krachten. Moeders zorgen onderling voor hun kinderen. Doordat de kinderen niet naar een peuterspeelzaal gaan, bestaat het risico dat ze een achterstand oplopen. Wanneer de procedure bijvoorbeeld lang duurt voor een gezin, kan het zomaar zijn dat een kind juist in die cruciale periode tussen 2 en 4 jaar als het ware ‘zit te wachten’. Zolang ze in het AZC verblijven, gebeurt er niets extra’s om hun ontwikkeling te stimuleren. Dat zouden we heel graag anders zien! We zijn dan ook druk bezig om allerlei dingen op te zetten, maar dit is pionieren. Voor de gezinnen in het AZC kun je geen aanspraak maken op de reguliere zorg, vanwege de financiering. Het aanbod is dus beperkt, zeker wat betreft de ondersteuning voor kinderen. Sommige dingen, zoals bijvoorbeeld inzet van opvoedondersteuning, proberen we nu via de zorgverzekering van de asielzoekers te regelen. Gaandeweg durven we steeds meer ‘buiten de gebaande paden’ te gaan. Je blijft in het belang van het kind denken en daardoor blijven we kijken naar wat wel mogelijk is. Daarin word je steeds creatiever!”

Samen sta je sterk

“We nemen ook deel aan een multidisciplinair overleg met verschillende partijen. Zo kunnen we gezamenlijk naar oplossingen zoeken. Daarnaast werken we regelmatig samen met vrijwilligers uit het Refugee Project Maastricht. Dit zijn veelal (internationale) studenten. Laatst hebben we een koppeling van drie vrouwen bedacht; een asielzoekster die enkel Farsi sprak, een vrijwilligster die Farsi én Engels sprak en een vrijwilligster die Engels én Nederlands sprak. Het idee is dat de asielzoekers en vrijwilligers gezamenlijk activiteiten ondernemen, zodat men ook eens uit het AZC komt, de stad leert kennen en bijvoorbeeld een bezoek brengt aan het Taalcafé. Momenteel proberen we Maastrichtse moeders te koppelen aan moeders uit het AZC. We hopen daarmee ook te bereiken dat er meer contact ontstaat tussen de moeders onderling in het AZC.”

Geraakt?

Heeft dit verhaal je geraakt? En wil je je ook graag inzetten voor deze mensen? Neem dan contact op met het Refugee Project Maastricht via: connect@refugeeprojectmaastricht.nl.

MEER INFORMATIE