OVER DE KOPP/KOV DOE-PRAATGROEPEN VOOR KINDEREN/TIENERS VAN OUDERS MET PSYCHISCHE EN/OF VERSLAVINGSPROBLEMEN

In gesprek met trainers Ida Holterman (Psychodiagnostisch werker en
In gesprek met trainers Ida Holterman (Psychodiagnostisch werker enpreventiewerker Youz) en Resie Canter Visscher (Preventiewerker Mondriaan)

De KOPP/KOV Doe-Praat Groepen voor kinderen van 8-12 jaar en 12-15 jaar zijn bedoeld voor kinderen/tieners van ouders met psychische en/of verslavingsproblemen. Bij psychische problemen kun je denken aan een burn-out, depressie, angststoornis of persoonlijkheidsproblematiek. In 8 bijeenkomsten wordt er op een ontspannen en speelse manier gewerkt aan zogenaamde ‘beschermende factoren’, oftewel dingen die het kind kunnen helpen in het omgaan met de situatie thuis. Trainers Resie Canter Visscher (Preventiewerker Mondriaan) en Ida Holterman (Psychodiagnostisch werker en preventiewerker Youz) vertellen meer over dit preventieve aanbod in dit interview!

>> Ga naar onze aanmeldpagina om je kind direct aan te melden voor de gratis Doe-Praatgroep voor kinderen van 8 – 12 jaar of de Tienergroep voor kinderen van 12 – 15 jaar!

Beschermende factoren

“De kern van de Doe-Praatgroepen is dat we met kinderen, en in de ouderbijeenkomst ook met de ouder(s), aandacht besteden aan zogenaamde beschermende factoren. Dingen die kunnen helpen om het kind sterker te maken in het omgaan met de situatie thuis. Een van de thema’s is bijvoorbeeld ‘gevoelens’. Welke gevoelens ervaar je, hoe kun je die uiten en bij wie? Als we aan de kinderen vragen of ze iemand hebben om mee te praten, zeggen ze vaak ‘ja’. Toch doen ze het in praktijk meestal niet. Omdat ze een drempel ervaren met anderen over hun ouder te praten, wat natuurlijk volkomen begrijpelijk is. Toch is het belangrijk om ze over die drempel heen te helpen, zodat ze ergens hun hart kunnen luchten. Vaak helpt het als ze expliciete toestemming van de ouder(s) krijgen om met een bepaalde persoon alles te bespreken. Wat ook belangrijk is in het kader van beschermende factoren”, vult Ida aan, “is ervoor te zorgen dat de leuke of goede dingen door kunnen blijven gaan. Denk aan school, hobby’s. Als het papa of mama niet lukt, wie kan dan met jou naar voetbal? Dat soort dingen.”

Over loyaliteit en verantwoordelijkheid

“Thema’s die voor veel kinderen van ouders met psychische en/of verslavingsproblemen spelen, zijn loyaliteit en verantwoordelijkheid. Ze zijn heel loyaal aan hun ouders. En kunnen vaak niet goed plaatsen hoe het komt dat papa of mama zich de ene dag wel goed voelt en de andere dag heel moe of kortaangebonden is. Ze voelen zich verantwoordelijk voor het welzijn van de ouder. Ze proberen hem/haar te ontlasten door zo lief mogelijk te zijn, het zo goed mogelijk te doen of te gaan zorgen voor broertjes of zusjes. Kinderen zijn geneigd zichzelf weg te cijferen. Terwijl het voor de eigen ontwikkeling ontzettend belangrijk is dat er ruimte is voor het kind om kind te zijn.”

Onschuldig

“Een vast onderwerp waar we zowel in de groep met kinderen van 8-12 jaar als de tienergroep aandacht aan besteden, is het geven van uitleg over de ziekte van vader of moeder. Als iemand een been breekt, is dat zichtbaar. Iedereen snapt dat en het wordt ook geaccepteerd als je daardoor bepaalde dingen niet kan. Maar wat als iemand in het hoofd ziek is? Dat is aan de buitenkant niet zichtbaar, maar je merkt het wel in het gedrag van de ouder. Door erover te praten als een ‘ziekte’ onschuldig je de ouder; papa of mama kan er niets aan doen. En dat maakt het vaak ook makkelijker om het erover te hebben.”

Eerlijke antwoorden

“Voor een van de bijeenkomsten nodigen we een deskundige uit om te vertellen over alle vragen die bij de kinderen leeft omtrent de problematiek van hun ouder. ‘Kan ik het ook krijgen?’ of ‘Als ik nu heel lief ben, kan mama dan beter worden?’. Die vragen bereiden we ook samen voor met de kinderen. Voor hen is het toch anders om dit soort vragen aan een ‘onbekende’ te stellen dan aan de eigen ouder. En het is ook belangrijk om daar eerlijk antwoord op te geven.”

Afwisselend programma

“Het is een Doe-Praatgroep, dus we bieden een heel afwisselend programma. Er worden spelletjes gedaan, getekend. Bij de tienergroep natuurlijk wat minder dan bij de groep voor 8-12 jarigen. Maar in beide groepen wordt van begin af aan gepraat over wat het betekent een ouder te hebben die ziek is. Hoewel ouders vooraf soms denken dat ze liever individuele gesprekken zouden willen voor hun kind, blijkt in de praktijk dat het een enorme meerwaarde heeft om wel in een groepje met leeftijdsgenoten aan de slag te gaan met deze thema’s. Kinderen zien namelijk dat ze niet de enigen zijn en ervaren ook heel veel steun van elkaar. Vaak zien we dat kinderen elkaar ook tips gaan geven als bepaalde situaties besproken worden. Dat werkt echt als een tierelier”, aldus Resi.

Drempel

“Vaak ervaren zowel de ouders als het kind ook een bepaalde drempel om zich aan te melden voor de Doe-Praatgroep. Voor ouders is het meestal al een hele stap zelf de hulpverlening in te gaan. Ze willen dan niet ook nog hun kind ergens mee gaan belasten. Of ze hebben het idee dat hun kind er niet zoveel van merkt wanneer het niet zo goed met hen gaat. Maar kinderen hebben ‘voelsprieten’ zeg ik wel eens. Die voelen heel goed aan hoe het met hun ouders gaat”, aldus Resie. “Juist daarom is het ook zo belangrijk het kind dat stukje begeleiding te bieden. Toch kan het voor ouders een grote stap zijn hun kind, vanwege de eigen problemen, in een groepje te plaatsen of met iemand te laten praten. Daarom benadrukken we ook altijd richting ouders dat de Doe-Praatgroep geen vorm van behandeling is. Er is niets aan de hand met het kind, het krijg geen stempel en er wordt ook geen dossier aangelegd. Je moet het echt zien als een steuntje in de rug, om ervoor te zorgen dat het goed blijft gaan.”

Gewoon proberen

“Ook de kinderen moeten vaak even overgehaald worden”, vult Ida aan. “De meeste kinderen willen niet in een groepje. Ze weten niet hoe het is. Of hebben geen zin hun vrije woensdagmiddag daaraan te besteden. Vaak geven we ouders de tip met hun kind de afspraak te maken om het gewoon een of twee keer te proberen. En dat ze mogen stoppen als ze het echt niet leuk vinden. Onze ervaring is dat kinderen na de 1e keer al om zijn. Ze vinden het zo leuk! Meestal vragen ze na de laatste bijeenkomst of ze nog een keertje terug mogen komen”, lacht Ida. “Wat we van de deelnemers terug horen over hoe ze het gevonden hebben?”, herhaalt Resie de gestelde vraag. “Dat ze door de training het gevoel hebben niet de enigen te zijn, dat ze het nu wat beter begrijpen en weten dat het niet hun schuld is, of gewoon dat ze het leuk hebben gevonden met de andere kinderen…”

Meer weten of aanmelden?

Ben je na het lezen van dit interview geïnteresseerd geraakt om meer te weten te komen over de KOPP/KOV Doe-Praatgroepen of overweeg je om je kind aan te melden? Kijk op onze speciale aanmeldpagina voor de KOPP/KOV Doe-Praatgroepen.

MEER INFORMATIE