AAN TAFEL BIJ GEZINSHUIS BERGERZON

In gesprek met Danielle (Gezinshuisouder)
In gesprek met Danielle (Gezinshuisouder)Gezinshuis Bergerzon - Berg en Terblijt

Danielle en haar man Ingo besloten in 2014 om gezinshuisouders te worden en namen toen vier kinderen op in hun gezin. Twee jaar geleden investeerden ze in een oude gymzaal in Berg en Terblijt en verbouwden dit pand tot een groot woonhuis, waar ze nu met hun drie eigen kinderen van 21, 19 en 15 jaar en inmiddels zes gezinshuiskinderen, van 14, 11, 10, 6 en 5 jaar en de jongste van 6 maanden wonen. In dit interview lees je hun bijzondere verhaal!

Over gezinshuisouders

Als gezinshuisouder bied je een veilig thuis aan uithuisgeplaatste kinderen. Vaak zijn dit kinderen die daarvoor al op verschillende plekken hebben gewoond. Bijvoorbeeld in een leefgroep of pleeggezin. En die daar door de complexiteit van hun persoonlijke problematiek niet konden blijven. In een gezinshuis kunnen deze kinderen tóch in een gezinssituatie opgroeien, maar dan onder continue professionele en liefdevolle begeleiding van de gezinshuisouders. Als je ervoor kiest om gezinshuisouder te worden, wordt dit namelijk je baan, waardoor je 24/7 beschikbaar kunt zijn.

>> In het tweede deel van het interview met Danielle lees je meer algemene informatie over gezinshuizen en de verschillen met pleegzorg.

Van pleeggezin naar gezinshuisouder

Gezinshuisouder word je meestal niet van de een op de andere dag. Veel mensen die ervoor kiezen een gezinshuis te starten, hebben daarvoor jarenlange ervaring als pleeggezin. Ook Danielle en Ingo waren al sinds 2000 pleegouders, toen zij in 2014 als eerste gezinshuis in Limburg gingen starten. Danielle: “Als pleegouders hebben we regelmatig gedacht ‘eigenlijk zou je hier je werk van moeten kunnen maken…’. De problematiek van pleegkinderen is vaak best heftig. Denk aan trauma of hechtingsproblematiek. En de pleegzorgvergoeding is vrij laag, waardoor je als pleegouders moet blijven werken. En je niet altijd de zorg en begeleiding kunt bieden die nodig is. Als het misgaat met een pleegzorgplaatsing, speelt dat volgens mij ook vaak een rol…”

Met z’n tweeën

“In een gezinshuis doe je het met z’n tweeën”, vervolgt Danielle haar verhaal. “Dat maakt het grootste verschil met pleegouderschap. In mijn ervaring is de problematiek van de kinderen in een gezinshuis namelijk niet heel veel zwaarder. En de financiering is natuurlijk heel anders als je gezinshuisouder wordt. Je moet echt een ondernemingsplan maken, met een financieel plaatje. ‘Alsof je een Bakkerij Bart vestiging opent’, zeg ik weleens. In het begin vonden we het ook heel spannend om een pand aan te kopen. Toen we startten op 1 januari 2014 hadden we vier gezinshuiskinderen. We hebben toen nog bijna drie jaar in ons eigen huis gezeten met z’n allen. Als ouders sliepen we in de omgebouwde bijkeuken!”

Opleiding

“Om gezinshuisouder te kunnen worden moet een van beide ouders tenminste hbo geschoold zijn. Al denk ik persoonlijk ‘er zijn er genoeg die de universiteit af hebben en 1 kind niet aan kunnen. En er zijn er ook die geen school hebben afgemaakt, die hun hand er niet voor omdraaien om 6 kinderen op te voeden.’ Wat ik wel echt onderschrijf, is dat een van beide ouders uit het vak moet komen. Zelf heb ik lang gewerkt in de zorg en met jongeren met autisme. Ook ben ik van mening dat het enorm helpt als je ervaring als pleegouder hebt als je hieraan begint. Je moet begrip en geduld hebben met en voor deze kinderen. Dit leer je vooral in de praktijk…”

Veel bij kijken

“En er komt toch ook gewoon veel bij kijken”, gaat Danielle verder. “Je krijgt namelijk ook met de ouders en de familie van de kinderen te maken. En met broertjes en zusjes die op andere plekken verblijven. Het is belangrijk dat de contacten in stand blijven met de eigen familie. Dus als iemand jarig is, moet je erheen. Je bent continu aan het regelen. Bijna alle kinderen gaan zo nu en dan met een bezoekregeling naar huis, opa’s en oma’s willen op bezoek komen. Afspraken met de voogden of professionele zorgaanbieders. Zelf moet je naar cursussen en scholingen, naar leerbijeenkomsten. En natuurlijk de kinderen halen en brengen naar school, clubjes, feestjes, kijken naar sportwedstrijden…”

Wat haal je je op de hals?

“Een goede taakverdeling is dus wel belangrijk. Bij ons is het zo dat Ingo zich vooral bezig houdt met het halen en brengen van de kinderen en die dingen. Ik ben dan meer thuis om de zaken te regelen; het plannen van de afspraken voor alle kinderen, het maken van de rapportages en verslagen en de administratie. In het begin kregen we ook best wel bezorgde reacties uit onze omgeving van ‘wat haal je je op de hals?’ Niet iedereen begreep deze keuze. Inmiddels is er veel meer begrip. Dat scheelt, want als mensen een feestje geven, kan het voorkomen dat we met een hele bende komen, haha!”, lacht Danielle.  

 

Niet expres

“Wij vinden het heel belangrijk dat de kinderen contact hebben met hun eigen ouders en/of familie. Dát zijn hun ouders. Bij kinderen die op het moment dat ze bij ons kwamen geen contact meer hadden met hun ouders, hebben we ook hard gewerkt om dit te herstellen. Geen enkele ouder van wie het kind uit huis wordt geplaatst, doet dit expres. Daar ben ik echt van overtuigd. Het houden van is er ook altijd wel. Alleen lukt het hen niet om op een goede manier ouder te zijn. Hoe fijn is het dan voor deze kinderen als ze hun ouders toch gewoon kunnen blijven zien? Voor een kind is het ook heel belangrijk dat de ouder ‘toestemming’ geeft om hier te mogen zijn. Voor veel ouders is dat in het begin vreemd. Maar naar verloop van tijd gaan ze je toch waarderen. En ik vind dat we ook moeten samenwerken met de ouders. Door gewoon contact te leggen als er iets is. Als je bijvoorbeeld even met een kind naar de dokter moet. Dan voelt de moeder zich ook betrokken en kun je hen ook deel uit laten maken. Het is en blijft toch hun kind.”

Verbaasde blikken

“Alle kinderen die hier wonen hebben het nodige meegemaakt en hebben een flinke ‘rugzak’, zoals ze dat dan noemen. Je moet dus met moeilijk gedrag om kunnen gaan. Dat is zeker niet altijd makkelijk. Maar we hebben ook ontzettend veel lol met ze. Vorig jaar zijn we zelfs gaan skiën of met z’n 10-en naar Turkije van de zomer. Wij zijn inmiddels achter in de 40. Dan zie je mensen wel kijken. Zeker nu met die kleine van 6 maanden erbij! Dan zien ze onze dochter van 19 en denken ‘oh die kleine is van haar’. Maar al die andere kinderen dan? Dat levert soms wel grappige situaties op!”

Nooit beter geweten

“Hoe het is voor onze eigen kinderen?”, herhaalt Danielle de gestelde vraag. ”Die hebben eigenlijk altijd moeten dealen met deze keuze die wij als ouders gemaakt hebben. Toen onze dochter van 19 werd geboren, had ze naast haar broer ook al een pleegzusje. En ook onze jongste zoon van 15 weet niet beter dan altijd in een fietskar te hebben gezeten met andere kinderen. Onze dochter heeft er weleens moeite mee gehad. We hebben haar altijd proberen uit te leggen en verteld waarom we dit doen. Maar ik begrijp het heel goed hoor. Dat het niet altijd leuk is als er continu andere kinderen zijn die de aandacht van je ouders opeisen, spullen van je kamer pakken. Dat je daar weleens moe van wordt. Maar dat is toch ook het ene voor het andere kind. Onze oudste zoon heeft dat bijvoorbeeld heel anders beleefd. Die studeert nu Maatschappelijk zorg en loopt zelfs stage bij ons!

Het juiste type

“Je moet er denk ik wel het type voor zijn om gezinshuisouder te worden. Een zorgelijk type denk ik. Je moet goed kunnen plannen en organiseren. En je moet geduld hebben. Van mensen uit mijn omgeving hoor ik regelmatig terug ‘ik zou gek worden met al die kinderen om me heen’. En natuurlijk; op de momenten dat ze onderling ruzie hebben ofzo kan het best wel eens pittig zijn. Ze weten elkaars zwakke plekken maar al te goed te vinden; dus dat gaat dan hard tegen hard. Zoals laatst met Valentijnsdag. Ik was vroeg opgestaan om de tafel mooi te dekken, had voor iedereen een hartjesbroodje gebakken. Dat leek me zo leuk; met z’n allen aan de grote tafel… En dan is het in praktijk binnen 3 minuten chaos, doordat er twee ruzie krijgen. Op dat soort momenten moet ik dan wel even wat meer moeite doen om te relativeren. Of die kleine van 5; die dan op een avond 11 pyjama’s heeft aan gehad; allemaal waren ze niet goed. Natuurlijk is dat lastig, maar dan denk ik ‘dat is iets in hem, wat ik moet accepteren.’ En als hij dan uiteindelijk lekker in zijn bedje ligt in z’n Efteling pak, dan smelt ik toch.” 

Anders moe

“Of ik niet ontzettend moe ben? Natuurlijk zit ik er ’s avonds weleens doorheen. Maar het is anders moe zijn. Het is hier in huis gewoon allemaal wat meer. Van de andere kant; of ik nu voor 5 mensen nasi maak of voor 10; koken moet ik toch! Vaak schuiven er ook nog vriendjes of vriendinnetjes aan die komen spelen of blijven logeren. Dat hoort er ook bij vind ik. En we leren de kinderen ook om elkaar te helpen. De oudste kunnen prima de jongste de jasjes en schoenen aandoen. Of even een paar broodjes extra smeren als ze toch hun eigen brood aan het smeren zijn. Als we ’s avonds een keer samen weg willen of moeten, vragen we onze oudste of mijn moeder om op te passen. En meestal proberen we dit ook te plannen als een aantal van de gezinshuiskinderen in het weekend bij hun eigen ouders zijn. Het is immers wel belangrijk dat je ook je eigen dingen blijft doen; uiteten, afspreken met je eigen vriendinnen..”

Goede toekomst

“Ons doel is ervoor te zorgen dat deze kinderen een goede toekomst tegemoet gaan en hen daarbij te helpen. Wat die ‘goede toekomst’ dan ook is. Hen bepaalde normen en waarden mee te geven. En ze vooral ook het gevoel te geven dat ze erbij horen. Dat ze er ook mogen zijn, gewoon zoals ze zijn. Dat ze zichzelf mogen zijn, met alles wat ze ‘in hun rugzakje’ bij zich dragen. Als je ze dat gevoel kunt geven, zie je ze vaak gigantisch opbloeien.”

MEER INFORMATIE