OVER ANGST BIJ KINDEREN

In gesprek met Peter Muris
In gesprek met Peter MurisKinder- en jeugdpsycholoog Virenze-RIAGG Maastricht

In het kader van het thema Lief en Leed besteden we aandacht aan verschillende emoties die kinderen kunnen hebben. Zo schreven we tippagina’s over het omgaan met teleurstelling en boosheid. Voor dit interview gaan we in gesprek met kinder- en jeugdpsycholoog Peter Muris. Hij vertelt ons over angst bij kinderen. Wanneer is angstig gedrag van je kind nog ‘normaal’ en wanneer moet je je als ouders zorgen maken? En hoe kun je als ouder het beste omgaan met angst bij je kind? Je leest het in dit interview! 

Angst hoort erbij!

“Angst is een goede emotie om te hebben. Iedereen heeft dat dus ook in zijn bagage, jong en oud. Angst is namelijk een ‘overlevingsemotie’. Als we als mens in een nieuwe situatie komen, is het zinvol om even wat terughoudend te zijn en de kat uit de boom te kijken. Je hersenen zijn zo geprogrammeerd, dat ze even wat tijd nodig hebben om de informatie die via de zintuigen binnenkomt, te verwerken. Bij iets nieuws, of iets waarvan we geleerd hebben dat het gevaarlijk is, komen de hersenen in de actiemodus. Dat is eigenlijk wat wij noemen angst. En dat uit zich dan in vechten, vluchten of verstijven.”

Elke fase, een nieuwe angst

“Elke ontwikkelingsfase van kinderen brengt zijn eigen angsten met zich mee. Kinderen die kruipen, hebben nog geen besef van diepte en vallen. Maar als je kindje eenmaal leert lopen, ontwikkelt het ook een vrees voor hoogte. De ontwikkeling zet de angst dus op een bepaalde manier aan. Jonge kinderen kunnen eindeloos ‘kiekeboe-spelletjes’ spelen. Maar vanaf een bepaalde leeftijd begrijpen ze dat het gezicht er blijft, ook als er een doek overheen is. Op het moment dat ze beseffen dat dingen er permanent zijn, ontstaat vaak ook de angst voor verlating en voor vreemden. Zo zijn aan alle momenten in de ontwikkeling, wij noemen dat ontwikkelingstaken, angsten gekoppeld.”

Doorbijten

“Voor ouders is het een haast natuurlijke reactie om mee te gaan met de emoties van je kind. Je wilt je kind beschermen. Dus als het ergens heel bang voor is, ben je geneigd om te zeggen ‘kom maar hier, doe het maar niet’. Daarmee is de emotie inderdaad weg, maar de angst blijft bestaan. En die wordt zelfs erger. Beter dus om je kind aan te sporen om het wel te doen en het daarbij te helpen. Ik vergelijk het wel eens met zo’n driftbui van een peuter, die in de supermarkt op de grond ligt te krijsen. Dan moet je als ouder ook even doorbijten. Als je toegeeft, ben je overgeleverd! En dat is met angst eigenlijk niet anders. Natuurlijk is het moeilijk om je kind te zien lijden. Maar het kan ook weer zo voorbij zijn!”

Opstapeling

“Bij kinderen zijn angsten vaak een fase waar ze eigenlijk gewoon doorheen moeten. Als dat lukt, gaan ze stevig door naar de volgende fase. Lukt dat niet, krijg je een opeenstapeling van ‘moeilijke momenten’. Dingen lijken dan ook vanzelf wel weer over te gaan, maar de basis is minder sterk. En dan komt het vaak toch op een bepaald moment weer boven. In de praktijk zie ik regelmatig pubers die vastlopen op het sociale stuk, van wie de ouders dan terugkijkend zeggen ‘op de basisschool was het eigenlijk ook altijd wel al een verlegen kind’. In de veilige omgeving van de basisschool was het dan niet echt een probleem. Maar op de middelbare school, met elk uur andere docenten en andere klasgenoten, zelf actief vrienden moeten maken, is dat toch heel anders. En dan loopt het vaak moeilijk.”

Aanleg en omgeving

“De mate waarin een kind reageert met angstig gedrag, is afhankelijk van zowel genetische aanleg als ook factoren uit de omgeving. Bij sommige mensen slaat het angstsysteem nu eenmaal sneller aan. Dan heb je ook iets meer kans om echt een angststoornis te ontwikkelen. Maar ook de omgeving speelt een rol. Als je opgroeit in een onveilige omgeving, waarin veel dingen gebeuren. Of als je ouders de angsten (onbedoeld) aanwakkeren, heb je ook meer kans op echte angstproblematiek. Maar andersom kan ook; als je genetisch gezien wat angstiger bent aangelegd en je groeit op met ouders die daar heel goed op inspelen, hoeft het geen probleem te worden. En sommige dingen heb je ook gewoon niet in de hand. Als je als kind langdurig gepest wordt, is er natuurlijk ook meer kans dat je een sociale angststoornis ontwikkelt.” 

Do’s & Don’ts in het omgaan met angst bij je kind

Niet doen
“Wat niet goed is, is je kind overbeschermen. Er zijn ouders die het heel moeilijk vinden om te zien dat hun kind een negatieve emotie heeft. Als het kind huilt, willen ze dat meteen weer wegmaken. Maar emotie is goed. Ook boosheid. Het is goed om dat er even te laten zijn en daarna te gaan praten. Wat is gebeurd, waarom was je boos? Daar leert een kind van. En zo is het ook prima om zo nu en dan eens angstig te zijn. Dat hoef je niet weg te maken. Want juist als je het gaat wegstoppen, gaat het in het kind zitten en dan kan het heel groot worden om een moment dat je het niet wil!” 

Wel doen
“Het tegenovergestelde van overbeschermen is je kind autonomie geven. Dat wil zeggen dat je je kind leert om zelfstandig in de wereld te opereren. Natuurlijk mag het daarbij wel gebruik maken van de veilige basis die je je kind als ouder kunt geven. Het gaat erom dat je je kind op een warme manier neerzet in de wereld. Je kunt bijvoorbeeld benoemen ‘ik zie dat je er bang voor bent’ en ‘ik zal je laten zien of vertellen hoe ik daarmee om ga’. Kinderen leren ook veel van het voorbeeld dat ze om zich heen zien. Daar kun je als ouder bewust mee omgaan.

Vaak, als kinderen bang zijn om iets aan te gaan, zie je dat de stap eigenlijk te groot is. Dan kan het helpen om als ouder of volwassene te kijken hoe je de situatie kleiner kan maken. Deel het op in een aantal kleine stapjes. En als één stapje gelukt is, natuurlijk complimenten maken. Daar groeit je kind van! Als je kind ’s avonds bang is om alleen op z’n kamertje te slapen, kijk wat je kunt doen om je kind dit toch aan te laten gaan. Misschien kun je er in het begin nog even bijblijven, een nachtlampje, de deur op een kier? En dan telkens wat korter blijven, het lampje wat verder weg of de kier kleiner. Je kunt ook echt ‘oefenen’ hoe snel mama weer bij je kan zijn als je roept. Alles kan eigenlijk, zolang je maar niet je kind helemaal gaat weghouden uit die ‘moeilijke’ situatie door het bij jullie in bed te nemen.”

Normale angsten vs. abnormale angsten

“In feite zijn normale angsten hetzelfde als abnormale angsten, alleen is het bij een abnormale angst veel extremer. Bij de kinderen die bij mij in de praktijk komen, zie ik ook vaak dat een normale angst heel extreem is geworden. We spreken van abnormale angst als het je leven gaat beïnvloeden. Als je door de angst de dingen die je moet doen, niet meer kunt doen. Bijvoorbeeld naar school gaan, vrienden maken, bij een sportclubje gaan. Maar ook dan geldt: probeer het kind te stimuleren om het toch te doen en help het kind daarbij door de situatie kleiner te maken. Zo hebben we voor een kind dat niet op z’n eigen kamer durfde te slapen eens een stappenplan gemaakt waarbij de eerste stap was om niet meer bij ouders in bed, maar op het eigen matrasje naast het grote bed te slapen. Elke week schoof het matrasje een meter op, tot het kind weer op de eigen kamer durfde te slapen.” 

Tot slot: een aantal angsten op een rij…

 Monsters, heksen, spoken, …
“Jonge kinderen hebben een levendige fantasie. Bij hen zie je dus ook vaak angsten voor dingen als monsters, heksen en spoken. In deze fase geloven kinderen in dingen die er niet zijn. Het heeft dan weinig zin om je kind op een verstandelijke manier te willen uitleggen dat zijn angst niet reëel is. Als je tegen je kind zegt dat dat monster waar het zo van streek van is, niet bestaat, ga je ook voorbij aan het gevoel van je kind. Want dat gevoel is wel degelijk echt! Beter om te zeggen: ‘het monster is niet echt, maar we gaan er wel wat aan doen!’. Daarmee geef je erkenning aan het gevoel van je kind.

Een goede aanpak in deze fase is ook om mee te liften op de fantasie van je kind. Schrijf bijvoorbeeld een anti-monsterbrief die je onder het bed legt. Zodat de monster dat kan lezen en dan weg blijft. In deze fase moet je creatief zijn en het speels aanpakken!”

Faalangst
“Vanaf de leeftijd van 7 à 8 jaar gaan kinderen meer logisch nadenken. Ze gaan oorzaak- en gevolgrelaties leggen. Ze leren ook dat dingen die in het hier-en-nu nog niet aanwezig zijn, toch kunnen gebeuren. Wat je daardoor ziet is een toename van piekeren. Over dingen die er niet zijn en mogelijk nog gaan komen. In de periode dat kinderen deze vaardigheid ontwikkelen, worden ook vaak de proefwerken op school geïntroduceerd. Sommige kinderen vinden dat heel eng. Faalangst is ook een vorm van cognitieve angst. Je bent nog niet bezig met het proefwerk, maar maakt je wel al hevige zorgen over wat er gaat komen en of dat goed zal gaan. Vaak is faalangst gekoppeld aan zelfvertrouwen. Dit is moeilijker om als ouder zelf mee aan de slag te gaan. Angstige kinderen denken vaak heel negatief over situaties en zichzelf. Het is de uitdaging om samen met het kind te kijken of je die gedachtenwolkjes ook op een andere manier kan invullen. Als ze dit in praktijk gaan brengen, kunnen ze ervaren dat andere gedachten ook een heel ander gevoel met zich mee brengen.”

Sociale angst
“Op de middelbare school worden sociale vaardigheden heel belangrijk. In deze fase is het voor de ontwikkeling heel belangrijk ‘erbij te horen’, sociaal geaccepteerd te worden en vrienden te maken. Een kind dat, wanneer het op het schoolplein staat er vanuit gaat dat anderen hem vast zullen gaan uitlachen en pesten, staat daar met een heel ander gevoel dan een kind dat die overtuiging niet heeft. Ook daarbij is het dus goed om de gedachten die het kind heeft te gaan onderzoeken en uit te dagen. Zijn er ook andere mogelijkheden? Vervolgens gaan we dat ook in de praktijk uitproberen. Om te kijken of de gedachten die het kind heeft wel echt kloppen. Ook dat helpt kinderen om hun eigen gedachten bij te stellen en zich anders te gaan voelen in dezelfde situatie.”

Over Peter Muris

Peter Muris is hoogleraar klinische psychologie en ontwikkelingspsychopathologie bij de Universiteit Maastricht en tevens werkzaam als GZ-psycholoog en cognitief-gedragstherapeut voor kinderen en jeugdigen bij Virenze-RIAGG Maastricht. Hij schreef een boek ‘Monsters onder het bed’ – Een opvoedwijzer voor ouders van alle bange kinderen. Dit is online te bestellen voor 15,95.

MEER INFORMATIE