MIJLPALEN IN DE SOCIALE ONTWIKKELING VAN JE KIND

Je kind ontwikkelt zich niet alleen lichamelijk maar ook op sociaal gebied. De sociale ontwikkeling is hoe het kind leert omgaan met anderen. Wat is hierbij ‘normaal’? Welk sociaal gedrag past bij welke leeftijd?

Onthoud dat ieder kind uniek is en zich in zijn eigen tempo ontwikkelt. Dit artikel gaat uit van gemiddelden. Het hoeft niet direct een reden tot zorg te zijn als kinderen afwijken van deze gemiddelden. Het kan wel een aanleiding zijn om de ontwikkeling extra in de gaten te houden en eventueel hulp van een deskundige in te roepen.

De babyfase

0-3 maanden

  • Maakt oogcontact.
  • Maakt geluidjes.
  • Kan gezichtsuitdrukkingen nadoen.
  • Het eerste lachje verschijnt.

3-6 maanden

  • Apeelt graag kiekeboe-spelletjes.
  • Lacht naar verschillende mensen.
  • Begint op de eigen naam te reageren.

6-9 maanden

  • Strekt armpjes uit om opgepakt te worden.
  • Herkent mensen en krijgt voorkeuren.
  • Kan ongerust raken wanneer vader of moeder uit beeld verdwijnt.
  • Grijpt naar andere kindjes of rolt naar hen toe.

9-12 maanden

  • Bekijkt andere kinderen.
  • Doet andere kindjes na.
  • Herkent zichzelf in de spiegel.
  • Wordt eenkennig.

De dreumesfase

12-18 maanden

  • Begint te praten.
  • Begint bewust gedrag uit te lokken (met speeltjes gooien).
  • Gaat zich ook aan anderen hechten, bijvoorbeeld opa en oma.
  • Eenkennigheid neemt af.

De peuterfase

19-24 maanden

  • Toont affectie door te knuffelen en kusjes te geven.
  • Wil samenspelen, maar kan nog niet delen.
  • Pakt speelgoed van anderen af.
  • Begrijpt steeds meer taal, begrijpt kleine opdrachtjes.

2-3 jaar

  • Contact met andere kinderen neemt toe.
  • Kan nog moeilijk samenspelen.
  • Conflictjes over samenspelen en delen.
  • Zegt graag ‘nee’ en wil zelf bepalen.
  • Fantasiespel komt op gang.

3-4 jaar

  • Samenspelen gaat steeds beter.
  • Herkent spelenderwijs sociaal gedrag.
  • Rollenspel komt op gang (‘vadertje en moedertje’).
  • Leert dat op andere plekken andere regels kunnen gelden.
  • Observeert gedrag van anderen.

De kleuterfase

  • Leert samenspelen in kleine groepjes.
  • Kan nog slecht tegen zijn/haar verlies.
  • Leert op zijn/haar beurt te wachten.
  • Veel fantasiespel.
  • Nog weinig besef van de gevoelens van andere kinderen.

Het basisschoolkind

  • Vriendschappen met leeftijdgenoten worden steeds belangrijker.
  • Leert dat andere mensen hun eigen gevoelens hebben.
  • Goed in staat zich in anderen te verplaatsen.
  • Vergelijkt thuis met dat van andere kinderen.
  • Begint verschil tussen ‘goed’ en ‘slecht ‘ te begrijpen.
  • Leert dat mensen verschillend op sociale situaties kunnen reageren.
  • Kan sociale druk ervaren door het groepsgedrag van andere kinderen (peergroup).

De puber

  • Begint oordeel te vellen over ouders en raakt met hen in conflict.
  • Maakt zich los van ouders en ontwikkelt eigen (sociale) identiteit.
  • Brengt meer tijd buitenshuis door en deelt veel met vrienden.
  • Begrijpt dat er een relatie is tussen iemands gevoelens, bedoelingen en verwachtingen.
  • Het besef ontstaat dat je de gevoelens en het gedrag van een ander soms niet kunt begrijpen.
  • Is beter bestand tegen groepsdruk.
  • Er ontstaan vaak hechte vriendschappen met leeftijdgenoten van hetzelfde geslacht.
  • Interesseren zich minder voor de gebeurtenissen thuis.
  • Wanneer zij thuis zijn, blijven zij het liefst op hun eigen kamer.

We hopen dat dit artikel je geholpen heeft. Wil je meer weten of heb je nog vragen? Chat met ons! We denken graag met je mee.

MEER INFORMATIE